LINDA over SARAH

‘Sarah werd mijn motivator’

Eind jaren tachtig gaf ik les op een mbo. Als docent had ik een aantal mentorkinderen. Een van hen was Sarah, een druk en opvallend meisje. Een wervelwind, die altijd met fotografie bezig was en grootse verhalen had. De eerste tijd had ik geen flauw benul van wat er schuilging achter die verhalen. Maar gaandeweg zocht ze mij steeds vaker op en leerde ik haar beter kennen.

De moeder van Sarah had een psychiatrische stoornis, en was vaak opgenomen in een inrichting. Af en toe kwam zij daaruit, en vaak raakte ze dan zwanger. Ik geloof dat ze zeven kinderen heeft gekregen. Sarah had geen contact met haar broertjes en zusjes. Al op jonge leeftijd was ze in een pleeggezin geplaatst. In de loop der jaren ging Sarah van instelling naar instelling, en van pleeggezin naar pleeggezin. Ze werd verwaarloosd en in de steek gelaten, en raakte steeds opnieuw getraumatiseerd. Liefde en veiligheid bleek ze nooit gekend te hebben.

Sarah ontroerde me, en haar verhaal raakte me. Hoe kan het dat dit met jonge mensen gebeurt? Ik zag dat ze op het school goed deed. Ze leek over veel veerkracht te beschikken, dus ik wilde haar daarin ondersteunen.

We hadden goed contact gehad op school en af en toe vond ze het blijkbaar leuk om een teken van leven te geven.

Ze woonde inmiddels op kamers, en leek best een sociaal rijk leven te leiden. Ze had vrienden, er kwamen regelmatig mensen bij haar eten. Ook had ze nog contact met een oud-hulpverlener. Ik had de indruk dat ze in goede handen was.

Na haar schooltijd hield Sarah contact met mij. Ze schreef me brieven en kaarten, met Kerst of als ze een mooie film had gezien en dat wilde delen. Het bevreemdde mij niet. We hadden goed contact gehad op school en af en toe vond ze het blijkbaar leuk om een teken van leven te geven. Ik vond het passen bij hoe zij als mens was. Hoe ik dacht dat zij als mens was.

Een paar jaar later was ik op Curaçao voor onderzoek. Ik ontving daar een pakketje van Sarah. Er zat een cassettebandje in en een kaartje, met de boodschap: ‘Voel je niet schuldig’. Ik had geen idee wat ze bedoelde. Ik dacht dat ze een aantal liedjes die ze mooi vond, had opgenomen. Ik heb het mee naar huis genomen en weggelegd. Het cassettebandje heb ik niet afgeluisterd.

Na een paar maanden werd ik gebeld door de politie met de vraag of ik Sarah kende. Ze was dood aangetroffen op haar kamer. Zelfdoding.

Drie maanden had Sarah in haar kamer gelegen voordat haar dood werd opgemerkt. Drie maanden! Omdat niemand haar had gemist. Omdat niemand haar werkelijk had gezien.

Natuurlijk dacht ik: wat staat er op dat cassettebandje? Maar ik heb het niet afgeluisterd. Stel je voor dat er een aanwijzing op staat dat het slecht met haar ging. Ik kon niet verteren dat ik dat moment dan gemist zou hebben. Ik kon het bandje niet afluisteren, en dat kan ik nog steeds niet. Het ligt hier in de kast, maar ik weet niet of ik het ooit ga afluisteren. Dat is me te indringend.

Ik ging naar haar begrafenis. Dat was schrijnend. De hulpverlener met wie ze nog contact had was er. Er was een pleegouder bij wie ze ooit in huis had gewoond. En ik was er, met mijn vriendin. That’sit. Tijdens de begrafenis werd mij indringend duidelijk hoe eenzaam Sarah moet zijn geweest. Dat moment vond ik zo erg.

Ik heb niet in de gaten gehad dat ze zo eenzaam was. Ze had altijd vrolijke verhalen, maar hoe was haar leven echt geweest? En wat was er in die jaren daarna gebeurd? Ik had geen idee. Had ze signalen afgegeven? Had ik van betekenis kunnen zijn, moeten zijn? Ik heb daar nog steeds geen antwoorden op.

Sarah’s dood raakte mij diep. Het maakte me verdrietig en machteloos. Maar er ontstond ook strijdlust in me. Sarah werd mijn motivator. Laat dit niet voor niets zijn gebeurd. Laat dit op z’n minst mij drijven om alles op alles te zetten om kinderen als Sarah te helpen.

Zij vormen voor mij de bevestiging dat het anders kan, dat we wel het verschil voor deze kinderen kunnen maken.

Sinds haar dood houd ik me bezig met de vraag wat we kunnen en moeten doen met kwetsbare kinderen zoals zij. Hoe kan het dat we ondanks alle hulpverlening niet weten hoe het echt met deze kinderen gaat? Sarah is voor mij een enorme spiegel geweest, die altijd bij me blijft.

Nu, bijna veertig jaar later, zie ik nog steeds kinderen bij wie veel hulpverlening is ingezet, maar waar hulpverleners nog steeds langs elkaar heen werken. Maar ik zie ook kinderen met wie het nu heel goed gaat. Ook die kinderen zitten in mijn hart. Zij vormen voor mij de bevestiging dat het anders kan, dat we wel het verschil voor deze kinderen kunnen maken. Maar dat dit een bovengemiddelde inspanning kost.

Het verhaal van Sarah is pijnlijk en verdrietig. Maar het heeft mij wel gedreven, tot op de dag van vandaag, om mijn steentje bij te dragen. Ik put kracht en moed uit al die verhalen, om te willen blijven veranderen en verbeteren. En om te blijven geloven in een betere wereld voor deze kinderen.

Linda Terpstra is bestuurder van Fier, landelijk expertise- en behandelcentrum op het terrein van geweld in afhankelijkheidsrelaties.

Download het verhaal als pdf

30 verhalen over wat helpt

Je las nummer 17 van de 30 verhalen in het kader van ‘een jaar lang, de Week tegen Kindermishandeling’.