LIANNE

‘Ik heb nooit kind mogen zijn’

‘Als kind pas je je snel aan. Mijn moeder was psychisch ziek; een postnatale depressie die meer dan 8 jaar heeft geduurd. Mijn vader dronk veel, te veel. Dit maakte dat ruzie in ons huis heel normaal was. Schreeuwen, dreigen met scheiding, weggaan van huis, gooien met borden en andere voorwerpen, elkaar bedreigen met een mes. De situatie was heel onvoorspelbaar. Het kon ineens exploderen.

Hier anticipeerde ik als kind op. Meerdere uren per dag werd er geschreeuwd. Was er geen ruzie, dan hing er een spanning alsof er iets ging gebeuren. Als kind was ik alert en op mijn hoede. Hierdoor weet ik niet hoe liedjes van vroeger gaan, welke tekenfilms we keken. Dit heb ik nooit kunnen onthouden, want daar had ik geen ruimte voor. Dat zorgeloze heb ik niet gehad.

We werden niet geslagen, dus blauwe plekken waren er niet. Maar ons gedrag moet opvallend geweest zijn. Kleine diefstallen terwijl we tussen de 6 en 9 jaar oud waren. Te ‘volwassen’ antwoorden geven. Wegloopgedrag. Vieze kleren. Zonder jas buiten in de winter. Ondanks de gekamde haren altijd onverzorgd en moe zijn.

Buitenshuis werd niet gesproken over wat er thuis gebeurde. Buitenshuis waren we op het eerste gezicht een gelukkig gezin.

Eén moment kan ik me nog heel goed herinneren. Ik was 6 jaar en had een trui aan met een col. Zwart met groene strepen. Toen ik op school kwam zei een jongetje: “Je stinkt naar kots”. Dat vond ik natuurlijk heel erg om te horen, want ik wist niet dat ik stonk. Ik pakte gewoon kleding die ik paste, maar wel van de ongewassen kledingstapel.

Buitenshuis werd er niet gesproken over wat er thuis gebeurde. Buitenshuis waren we op het eerste gezicht een gelukkig gezin. We gingen op vakanties, waren op verjaardagen en iedereen was altijd welkom. Maar achter de dichte voordeur ging het mis.

Er was geen hulp, want daar was door de jeugd van mijn moeder geen vertrouwen in. Op school en aan vriendjes en vriendinnetjes mochten wij er niets over vertellen. Als iemand erachter kwam, dan zouden we weggehaald worden. Dat was door de ervaring van mijn moeder de waarheid van de situatie. En daarmee ook die van ons.

Dat de situatie niet normaal was, werd mij duidelijk toen ik op de middelbare school zat. Bij vrienden thuis werd heel anders omgegaan met problemen en emoties. Er werd niet geschreeuwd, er werd gepraat als iets niet goed ging. Ik had het door, maar propte het weg. Want ik was nog steeds minderjarig, dus nog steeds zou ik weggehaald kunnen worden als ik iets zou vertellen. En als ik dan een balletje opgooide, dan was het voor buitenstaanders toch vaak dat ik die leuke moeder en die grappige vader had. Dan voelde ik me onbegrepen.

Het wegproppen stopte tijdens mijn studie tot maatschappelijk werker. Allerlei thema’s kwamen voorbij. En ook het thema huiselijk geweld. Daar kwam ik een deel van mijn leven in de boeken tegen. Ik deed kennis op over het thema en dit gaf erkenning in wat ik had meegemaakt. Met lessen en reflecties op mijzelf, raapte ik de stenen op. Ik wilde sterker worden en mijn jeugd in mijn werk gebruiken. Je kunt alleen anderen helpen, wanneer je jezelf hebt geholpen. In de verwerking heb ik heel veel aan mijn vriend gehad. Op school kon ik reflecteren en thuis met mijn vriend kon ik het bespreken en een plaats geven.

Mijn ouders zouden niet begrijpen dat onze thuissituatie als huiselijk geweld of kindermishandeling wordt beschreven. Ze weten dat het niet goed was thuis, daar hebben we het over gehad. Dat hebben ze erkend en dat heeft geholpen in de verwerking. Maar het was niet met opzet, het was de situatie. Dus over het thema ‘kindermishandeling’ hoeven we het niet te hebben. Dát zullen ze niet erkennen. Het zal hen ook niet helpen in hun proces. Ze worden wakker geschud op hun onvermogen van destijds. Daar hebben zij niets aan. Want ik ben al volwassen en gezond. Het zijn hun stenen niet meer. Hun taak zit erop. Het zijn nu mijn stenen, die pak ik op en ik leg ze neer waar ik ze wil hebben.

Ik ben ook niet boos op mijn ouders. De lessen die ik heb geleerd, hebben mij gemaakt tot wie ik ben en helpen mij in mijn werk. Veel verhalen die ik dagelijks hoor, klinken mij niet gek in de oren. Tuurlijk raken verhalen mij ook wel, maar ik kan ze dragen en daardoor kan ik blijven helpen. Met de mensen die het vertellen heb ik geen medelijden, wel mededogen.

Mijn blauwe plekken waren niet te zien. Ik werd niet geslagen thuis.

Zonder angst voor een diepere laag in het verhaal vraag ik door en kan ik met mijn cliënten vooruit kijken. Dat heeft wel echt met mijn jeugd te maken.

Ik denk dat het goed is om mijn verhaal te vertellen. Het is namelijk niet het klassieke beeld van kindermishandeling. De omgeving heeft een beeld dat mishandeling er pas is wanneer er fysiek blauwe plekken zijn. Mijn blauwe plekken waren niet te zien. Ik werd niet geslagen thuis. Het hoeft niet opzettelijk te zijn. En daar ligt misschien de misvatting. Verwaarlozing zonder opzet, een situatie die te groot is, een zorgmijdend gezin door eigen jeugdtrauma’s. Mijn ouders hielden, en houden, zielsveel van ons, maar ze kwamen handen tekort in de opvoeding en vertrouwen tekort voor hulp. Eigenlijk is dat wat er speelde bij ons.

Begeleiding, zoals het nu kan zijn, die naast mijn ouders had gestaan, was heel goed geweest. Dan hadden mijn ouders meer in hun kracht kunnen staan. Opvoedondersteuning of therapie voor mijn moeder, daar zouden wij ook weer beter van geworden zijn. Maar die ruimte is er nooit geweest. Het is doorgegaan van generatie op generatie. Tot hier, punt.’

Lianne is maatschappelijk werker

Download het verhaal als pdf

30 verhalen over wat helpt

Je las nummer 28 van de 30 verhalen in het kader van ‘Een jaar lang, de Week tegen Kindermishandeling’.