GERARD

‘Macht moet altijd zorgend zijn’

“Bijna dertig jaar werk ik bij de politie, waarvan twaalf jaar als wijkagent in Amsterdam. In al die jaren heb ik ze veel gezien, teveel. Kinderen met een enorm verdriet, met angst. Ik zag de hulpeloosheid. Maar ook de enorme loyaliteit naar degene die het hardst slaat. Alleen maar omdat ze niet verder geslagen willen worden. Of omdat het papa of mama is. Dat raakt me diep.

Ik herinner me twee broertjes, met een ontzettend lieve moeder maar een ‘slechte vader’. De moeder kwam radeloos bij mij op het bureau. Haar mimiek en de manier waarop ze sprak, lieten zien dat ze veel verdriet had. Ze kwam niet voor zichzelf, maar voor haar jongens. Die waren een jaar of tien, twaalf. De laatste klap was de druppel geweest. Dat moest nu klaar zijn.

De oudste heb ik naar het bureau laten komen om met hem te praten. Ik zag vooral een kwetsbaar en angstig kind. Dat vond ik erg om te zien, zeker op zo’n jonge leeftijd. Hij keek naar me, maar hij keek me niet echt aan. In zijn ogen zag ik alleen oplettendheid: waar is mijn ontsnappingsroute? Ik vond dat heel erg.

‘Ik ging naast hem zitten en pakte hem vast: wat is er knul?’

Zo’n vader moet boeten voor zijn daden, maar dat beslis ik niet. Ook ga ik niet over de hulpverlening die dat gezin nodig heeft. Mijn grootste en belangrijkste taak is om er voor de kinderen te zijn. Daar ben ik (wijk)agent voor en zo staat het ook in Artikel 3 van de Politiewet: ‘handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven’. Hier was mijn hulp als politieagent nodig.

Ik heb gemerkt dat kinderen die mishandeld zijn een stabiel punt nodig hebben. Ben je er voor me? Ik heb verdriet, ik heb pijn, ik voel me eenzaam… ben je er voor me? Mijn antwoord is altijd: ja. Als je me nodig hebt, ben ik er voor je.

Een paar jaar later stond één van die jongens in de tuin te zwaaien met iets dat hij beter niet in zijn handen kon hebben. Mijn collega’s waren ernaartoe gegaan en bleven heel geduldig. Maar die situatie kon niet te lang voortduren. Ik had toevallig dienst, en ja, het was wel mijn jongen. Ik kwam ter plaatse, dat kind was radeloos. Ik liep naar hem toe, hij herkende mij en zijn hele houding veranderde. Misschien nam ik een risico, maar het is en blijft een kind. Ik ging naast hem zitten en pakte hem vast. Wat is er knul?

Ik was er voor deze jongen, zoals ik hem eerder beloofd had. Doen wat we beloven is vaak het allerbelangrijkste voor kinderen die beschadigd zijn. Ik heb het zelf in mijn eigen jeugd meegemaakt. Dat neem ik iedere dag mee in mijn werk als politieagent.

Mijn moeder stierf toen ik 2,5 jaar was, en mijn vader toen ik 9 was. Ik ben een kind uit de jaren zestig, en zeker in het rooms-katholieke deel van het land vond men toen dat een vader alleen niet voor zijn kinderen kon zorgen. Dus ik ben op tweejarige leeftijd al uit huis geplaatst en ondergebracht in een weeshuis, bij de nonnen.

Er waren daar veel regels en daar hoorde ook geweld bij. Soms werd ik ’s nachts een beetje opstandig en zwierf ik door de gangen. Dat was genoeg voor de nonnen om me vast te binden in bed: armen gespreid, tuigje eromheen, met een gesp onder het bed vastgezet. Daar lag ik dan. Ik was een jaar of zes, zeven denk ik.

Mijn oma, de moeder van mijn moeder, had haar dochter op haar sterfbed beloofd zo goed mogelijk voor haar kinderen te zorgen. Dus mijn oma kwam vaak naar me toe. Ze had een kunstheup en soms moest ze vijf kilometer lopen, maar dat maakte haar niet uit. Ze kwam, want dat had ze beloofd.

‘We kunnen voor deze kinderen wel een houvast in hun omgeving zijn, anders raken we ze kwijt.’

Ook mijn vader bezocht me vaak. Hoeveel verdriet hij ook had, hij was er. Een keer stond ik op een balkon van het weeshuis en zag ik hem aan komen lopen. Hij had twee ijsjes in zijn handen. Een van de nonnen greep me in m’n nekvel. “Kijk, daar is je vader. Maar jij bent niet lief geweest, dus hij kan weer weg.” Ze liet mijn vader een stukje verder lopen, en maakte vervolgens zo’n wegwuifgebaar naar hem: u kunt weer vertrekken. M’n vader moest rechtsomkeert maken, met de twee ijsjes nog in zijn handen. Tegen mij zei de non: “Dit is jouw schuld.” Maar ik wist niet eens wat ik gedaan had.

Daar heb ik gezien wat er met macht en gezag gedaan kan worden. De nonnen dachten het gezag te zijn en macht te hebben, maar macht wordt je gegeven en moet altijd zorgend zijn. Deze nonnen maakten er misbruik van.

Met de macht die mij als politieman is gegeven –ik noem dat zorgende macht –wil ik er zijn voor de kinderen die dat nodig hebben. Ik haal de beschadigingen er niet mee weg. De vernederingen ook niet. Maar we kunnen voor deze kinderen wel een houvast in hun omgeving zijn, anders raken we ze kwijt. En dan zijn we veel verder van huis.”

Gerard is wijkagent in Amsterdam

Download verhaal als pdf


30 verhalen over wat helpt

Je las nummer 20 van de 30 verhalen in het kader van ‘een jaar lang, de Week tegen Kindermishandeling’.