EVELINE

‘Als jeugdarts en als moeder wil ik niet de andere kant op kijken’

‘Als jeugdarts heb ik helaas weleens te maken met casuïstiek rondom kindermishandeling. Maar toen ik in mijn privéleven ermee te maken kreeg, bleek het zelfs voor mij lastig te zijn om aan de bel te trekken.

Sinds een paar maanden sport ik samen met Tessa, de moeder van het beste vriendinnetje van mijn dochter. Iedere maandagavond fietsen we samen naar crossfit en kletsen we over onze dochters van zeven, die bij elkaar in de klas zitten. Tessa vertelt ook weleens over Mila, de dochter van haar broer. Die zit ook bij onze kinderen in de klas. Mila is een pittig dametje, dat erg claimend kan zijn naar andere kinderen. Ook is ze moeilijk te corrigeren. Ze luistert niet goed naar volwassenen en zegt dingen die voor een zevenjarige best heftig zijn.

Ik zie Mila op school en op die maandagavonden hoor ik stukje bij beetje van Tessa hoe het met haar gaat. De ouders van Mila zijn gescheiden en haar vader heeft een nieuwe vriendin, die nauwelijks omkijkt naar Mila en haar zus. Op school gaat het niet goed, de intern begeleider is bezig met de thuissituatie. Haar moeder praat regelmatig met een psycholoog en ook Mila gaat naar een kinderpsycholoog. Er speelt dus veel in dat gezin.

‘Ze luistert niet goed naar volwassenen en zegt dingen die voor een zevenjarige best heftig zijn.’

Vanuit mijn werk weet ik dat gedrag een signaal kan zijn. Claimend gedrag kan een teken zijn van een moeilijke hechting. Tegelijkertijd realiseer ik me dat ik de informatie over Mila vooral uit derde hand heb en vanuit één oogpunt. Daar denk ik over na als ik op maandagavond naar huis fiets. Wat vertelt Tessa vooral vanuit haar eigen gevoel en in hoeverre is dat objectief?

Op een van die avonden vertelde Tessa me dat haar broer tijdens een ruzie een keer bovenop de moeder van Mila was gesprongen en was gaan meppen. Oma moest hem van haar af trekken. Mila en haar zus stonden erbij en zagen het gebeuren.

Ik dacht meteen: wow, dit is heftig. Vooral omdat de kinderen het hebben gezien. Ik heb direct tegen Tessa gezegd dat zoiets veel doet met kinderen. Hoe vreselijk moet het zijn om te zien hoe je vader bovenop je moeder springt en jij als kind helemaal niets kunt doen? Het verhaal raakte me enorm.

Ik heb ook gezegd dat hoe meer zij vertelt over de thuissituatie van Mila, hoe meer ik haar gedrag begin te begrijpen. Dit is haar manier om te uiten dat ze in de knel zit. Ze krijgt alleen maar negatieve aandacht; thuis, van school, van familie.

En ze is de helft van de week bij haar vader en zijn vriendin, in een huis waar ze zich ongewenst voelt. Wat doet dat met een kind?

Je moet hier echt iets mee, zei ik tegen Tessa. Ook al is dit al een tijdje geleden gebeurd, Mila draagt dit met zich mee. Ik heb voorgesteld om Veilig Thuis te bellen. Dat kan zonder namen te noemen en alleen om advies te vragen. Tessa maakte zich natuurlijk ook zorgen en wilde erover nadenken.

Ik vond het zo’n zorgelijk verhaal dat ik zelf iets wilde doen. Tegelijkertijd wist ik dat het geen spoedsituatie was en ik wilde niet iets doen achter de rug van Tessa om. Ik moest mezelf tegenhouden, maar dat is maar deels gelukt. Twee dagen later heb ik Veilig Thuis gebeld. Ongeacht wat Tessa zou gaan doen, wilde ik zelf advies. De week ervoor had ik een cursus over kindermishandeling gevolgd. Ik realiseerde me weer hoe belangrijk het is dat iemand in de omgeving van een kind iets doet. Het zou mij niet gebeuren dat ik weet wat er thuis bij Mila speelt, maar er vervolgens niets gebeurt.

Ik vond het lastig om Veilig Thuis te bellen. Ik was bang dat ik een onsamenhangend verhaal zou vertellen. Komt de ernst van de situatie wel over? En aan de andere kant: maak ik het niet te groot? Want Mila heeft het nu moeilijk, maar misschien lost de situatie zichzelf wel op. Zonder dat wij ons ermee bemoeien. Is er nu echt actie van mij nodig?

‘Het liedje van de campagne zoemt door mijn hoofd: “Het houdt niet op,niet vanzelf”.’

Maar ik weet en ik voel dat het niet uit zichzelf beter zal gaan. Het liedje van de campagne zoemt door mijn hoofd: ‘Het houdt niet op, niet vanzelf’.

In mijn werk vind ik het altijd fijn om met Veilig Thuis te overleggen. Ook nu kreeg ik goede adviezen, vooral voor mijn contact met Tessa. Ik gun haar de tijd om rustig te bedenken wat zij wil doen. Maar ik moet het er binnenkort met haar over hebben. Ik zie er tegenop, maar ik vind het belangrijk dus ik moet daar overheen stappen.

Als ik Mila op school zie, wil ik haar het liefst een knuffel geven. Maar dat zou raar zijn, want zo goed ken ik haar niet. Ik merk wel dat als ik iets tegen haar zeg, ik net wat meer oogcontact maak en een hand op haar schouder leg. Door haar situatie ben ik me bewust geworden hoe moeilijk het is voor mensen in de omgeving om iets te doen als je je zorgen maakt. Maar daar is professionele hulp voor. Bij Veilig Thuis kun je niet alleen terecht om een melding te doen, maar je kunt ze ook bellen om mee te denken. Voor mij was dat prettig. Want als jeugdarts, maar vooral als moeder en als lid van deze maatschappij, wil ik niet de andere kant op kijken.’

Eveline is jeugdarts.

Download het verhaal als pdf

30 verhalen over wat helpt

Je las nummer 26 van de 30 verhalen in het kader van ‘een jaar lang, de Week tegen Kindermishandeling’.