DESIRÉE

‘Had ik maar …’

“Had ik maar… Met dit gevoel denk ik terug aan de peuter die ik als jeugdarts bij GGD regio Utrecht onder mijn hoede had.

Op een dag kwam bij ons bureau een telefoontje binnen van haar ongeruste moeder: de leidsters van het kinderdagverblijf hadden signalen opgemerkt die hen aan seksueel misbruik deden denken. Het meisje reageerde heftig bij luierwisselingen. Ze wilde niet stilliggen en trapte van zich af. De ouders waren ontzettend geschrokken. Ze hadden elkaar bevraagd, de opa’s en oma’s, vrienden, kennissen, maar hadden geen enkel idee van wie de dader zou kunnen zijn.

De jeugdverpleegkundige, die de moeder te woord stond, hoorde de paniek en stelde voor om langs te komen. Dit wilden beide ouders graag. Hieraan voorafgaand vroeg de jeugdverpleegkundige advies aan mij. We namen door wat er ter sprake kon komen, welke vragen zij kon stellen. Dat wij eventueel Veilig Thuis voor hen konden inschakelen.

Tijdens dit gesprek kwam weer naar voren dat de ouders echt niemand in hun omgeving als dader konden aanwijzen. Zij weten het pittige gedrag van hun dochter aan de peuterpubertijd. Het meisje was in andere situaties eveneens snel boos.

‘Vind je het fijn om hier professionele hulp bij te krijgen?’, vroeg ik

Ook vertelden de ouders dat ze relatietherapie volgden, omdat deze onder spanning stond. We besloten hierop geen verder onderzoek in te stellen, wel adviseerden we hun om alert te blijven.

Twee maanden later kwamen moeder en dochter bij mij op het halfjaarlijkse spreekuur van het consultatiebureau. Moeder was heel open: over de scheiding die inmiddels was doorgezet en over haar depressieve gevoelens. Hierdoor had zij weinig aandacht kunnen geven aan haar dochtertje. Ze vroeg zich af of haar eigen hechtingsproblematiek misschien bijdroeg aan het pittige gedrag van haar peuter, dat wispelturiger was geworden: van het ene op het andere moment kon het veranderen van heel lief naar iemand slaan. Ook haalde het meisje soms zonder aanwijsbare oorzaak uit naar andere kinderen, haar ouders en oppas. Moeder vertelde zelf ook een moeilijke jeugd te hebben gekend. ‘Vind je het fijn om hier professionele hulp bij te krijgen?’, vroeg ik. Dit wilde ze heel graag.

In de verwijzing naar het IMH (Infant Mental Health) nam ik ook het vermoeden van seksueel misbruik mee. Bij het IMH werkten moeder en kind aan de hechting. De moeder was hier heel tevreden mee, het ging ook beter met het meisje.

Op een ochtend, acht maanden na haar telefoontje aan de jeugdverpleegkundige, kietelde de moeder haar dochter in haar nek. Opeens zei het meisje: ‘Dit moet ik ook altijd doen bij de plasser van oom’, de nieuwe partner van oma. Oma paste één keer per week op dit meisje. ‘Maar’, zei het meisje, ‘het is een groot geheim.’ Eigenlijk had ze het niet mogen vertellen. De moeder schrok enorm en belde direct haar ex-man. Hij nam contact op met de zedenpolitie, die hem adviseerde het Centrum Seksueel Geweld in te schakelen. Daarna belde hij mij. Ik weet het nog goed. Het was kwart over acht ’s ochtends, ik zou bijna mijn spreekuur gaan draaien. Wat een schrik. Ook ik legde in overleg direct contact met het Centrum Seksueel Geweld waar ze een paar dagen later terecht konden.

Had ik maar… direct contact opgenomen met de leidsters van het kinderdagverblijf. Dit was de les die ik er met mijn collega’s uit trok. Ik denk dat ik actiever was geweest als ik direct van hen had gehoord welke signalen hen verontrustten. Waarschijnlijk was ik dan te rade gegaan bij het Centrum Seksueel Geweld. Eigenlijk hebben we de deskundigheid van de kinderdagverblijfleidsters gebagatelliseerd. Mogelijk waren we het misbruik dan eerder op het spoor gekomen, al is het uiterst moeilijk om hier met een jong kind over te praten. Met de ouders heb ik hier nog uitgebreid over gesproken, maar zij nemen ons niets kwalijk. Zij waren heel coulant.

Uit onderzoek komt naar voren dat wij veel signalen op het gebied van kindermishandeling missen

Dit neemt niet weg dat deze gebeurtenissen grote indruk maakten op mij en anderen op het consultatiebureau.

Deze situatie heeft gemaakt dat ik nog alerter ben geworden… Ik deel dit verhaal nu graag, omdat ik het belangrijk vind dat wij leren van elkaar. Uit onderzoek komt naar voren dat wij veel signalen op het gebied van kindermishandeling missen. Voor de 2e fase van mijn opleiding tot arts Maatschappij & Gezondheid wil ik daarom onderzoek doen naar deze problematiek. Het is zo belangrijk dat ouders zich vrij voelen om met ons te praten over opvoedingsproblemen. Dat zij deze openheid als normaal ervaren en dat zij mogen rekenen op onze oprechte belangstelling.

In Zweden worden in lokale familiecentra voor én na de geboorte ouderschapscursussen aangeboden tot het kind 6 jaar is. Hierdoor is de drempel om ook later om hulp te vragen laag. Kindermishandeling komt daar minder voor. In Nederland hebben onze eerdere pogingen tot spreekuren en Centra voor Jeugd en Gezin dit effect nog niet gehad. Hoe kunnen we dit wel bewerkstelligen? Vanuit mijn onderzoek wil ik me graag ook met deze vraag bezighouden.”

Desirée is Jeugdarts en Aandachtsfunctionaris Kindermishandeling

Download het verhaal als pdf


30 verhalen over wat helpt

Je las nummer 13 van de 30 verhalen in het kader van ‘een jaar lang, de Week tegen Kindermishandeling’.