Bianca

‘Iedereen in de omgeving van een jongere kan van positieve invloed zijn’

‘Het was 2009. We waren net verhuisd met onze kinderen van 10, 8, 5 en 3. Ik was het raamkozijn in de keuken aan het schilderen, toen mijn blik naar buiten werd getrokken. Daar zag ik een jongen met een grote bos krullen, hij speelde op straat met mijn zoon. Iets in zijn blik raakte me en op datzelfde moment wist ik dat ik voor hem zou gaan zorgen.

Deze jongen, Ad, bleek in de klas te zitten bij onze oudste. Vaak kwam ik hem, zijn vader en zusje tegen als ze naar school liepen. Ads ouders zijn beiden doof. Ik leerde gebarentaal om met hen te kunnen communiceren en bood de vader mijn hulp aan. Hier ging hij graag op in. Al snel waren Ad en zijn zusje meerdere dagen per week na school bij ons te vinden. Een aantal dingen viel op: hij was altijd op zijn hoede, de sociale interactie was anders en hij had weinig meegekregen over lichamelijke verzorging. Door onze kinderen na te doen, leerden Ad en zijn zusje als vanzelf een hoop bij. Na een half jaar vond er bij hen thuis een grote escalatie plaats en werd ons gevraagd de kinderen tijdelijk op te vangen.

Ad en zijn zusje wonen nog steeds bij ons, we hebben hen zelfs geadopteerd. We vormen inmiddels een gespecialiseerd, 13-koppig puber- en adolescentengezin.

‘Als ouders willen wij hen onvoorwaardelijke liefde geven.’

Naast Ad, zijn zusje en onze biologische kinderen zorgen mijn man Leonard en ik voor vijf pleegkinderen van wie er twee verstandelijk beperkt zijn. Het was voor ons van jongs af aan een uitgemaakte zaak dat we ons huis zouden openstellen voor kinderen die het nodig hadden. De jongeren komen ook als vanzelf op ons pad. Geen toeval denken we, we zijn een gelovig gezin.

Een van ons is altijd thuis voor de kinderen. We hebben allebei een eigen bedrijf, zodat we onze tijd zelf kunnen indelen. Ik ben jongerenwerker, trainer en methodiekontwikkelaar met een achtergrond in de psychiatrische verpleegkunde en contextuele therapie. Leonard is boekhouder, heel iets anders. Al onze pleegkinderen hebben te maken gehad met verwaarlozing en huiselijk geweld. Vaak is er sprake van PTSS en hechtingsproblematiek. Al zo vaak hebben we gehoord dat het met een bepaald kind niets meer zal worden, omdat het te beschadigd is. Zo ook met Ad. Maar wij geloven er heilig in dat het wél goed kan komen. Iedereen in de omgeving van zo’n jongere kan van positieve invloed zijn. Dat is onze levensvisie. En als ouders willen wij hen onvoorwaardelijke liefde geven, liefde zonder er iets voor terug te verwachten.

Als het goed gaat met een kind is dit makkelijk. Maar soms, als zij door hun problematiek een bodemloze put lijken, is het heel moeilijk…


Schreeuwen en ruziemaken is normaal

Voor Ad en zijn zusje wilden we boven alles eerst een veilig nest creëren. Er gewoonweg zijn voor hen. We boden hun boekjes aan, keken het nieuws en namen hen mee in de gesprekken met onze kinderen. Hierin tonen wij onze emoties en zoeken we altijd naar verbinding. Want alleen vanuit verbinding kan een kind groeien. Dat waren Ad en zijn zusje niet gewend. Hun referentiekader was dat schreeuwen en ruziemaken normaal waren. Dát was veilig voor hen. Ook nu nog is dit soms een aandachtspunt.

Ad kreeg als advies om het laagste niveau van het vmbo te doen. Wij wisten de schoolleiding ervan te overtuigen om hem het hoogste niveau te laten doen. Hij heeft de intelligentie, maar vindt het moeilijk om in zichzelf te geloven. Dat is het nadeel als kinderen zich in de eerste zes jaar van hun leven niet goed hebben kunnen hechten en vraagt om veel begeleiding. Voor zijn eindexamen hing mijn man een briefje boven Ads bureau met de tekst: ‘Jij kan het. Wij geloven hierin.’

Als we therapie opperden, zei Ad steevast: ‘Ik praat alleen met u.’ Maar wij wisten dat er nog iets uit moest. Hij hield zijn woede en verdriet binnen. Met zeventien jaar raakte hij zwaar depressief. Hij deed aan automutilatie en wilde niet meer leven. Ik was heel erg bang dat hij een einde aan zijn leven zou maken. Op een dag zaten we met elkaar te praten en zei ik tegen hem: ‘Wij houden van je, ook als je depressieve gevoelens hebt. Je hebt zoveel meegemaakt als klein kind.’ Allebei moesten we vreselijk huilen. ‘Volgens mij wil je niet dood, je wilt van je pijn af’, zei ik tenslotte. ‘Ja’, antwoordde hij, en hiermee ging de deur open naar (schema)therapie. Ruim een jaar later heeft hij zoveel meer inzicht gekregen in wie hij is en waar bepaald gedrag vandaan komt. Hij is nu emotioneel stabiel, zo stabiel zelfs dat hij als verpleegkundige op een covid-afdeling werkt. Wij zijn ongelooflijk trots op hem.

‘Volgens mij wil je niet dood, je wilt van je pijn af, zei ik tenslotte. “Ja”, antwoordde hij.’

Ik heb veel over mezelf geleerd
Ik geloof zeer in de methodieken die ik heb ontwikkeld voor professionals en verzorgers, maar veel meer dan vroeger geef ik door: jij bent de methodiek. Werk aan jezelf! Ad heeft mij dit mede laten zien.

Doordat ik mezelf geregeld tegenkwam in ons contact, heb ik veel over mezelf geleerd. Ik weet nu dat mijn gedrag, goed of slecht, altijd van invloed is op de ander. Ik ben geduldiger geworden en trek het me minder persoonlijk aan als onze kinderen of hun biologische ouders lelijk doen. Ik heb geleerd om soms ergens een nachtje over te slapen en om ervoor te zorgen dat ik überhaupt genoeg slaap, want dan ben ik een leukere moeder.

Over het algemeen handel ik minder vanuit eigenbelang. Het gaat om het kind en diens proces, om onvoorwaardelijke liefde, waar begrenzing deel van uitmaakt. En dat is een grote, mooie les. Ons geloof is hierbij een grote inspiratiebron voor ons. God is onvoorwaardelijke liefde, Zijn kracht draagt ons, dit levenswerk zou ik nooit alleen kunnen doen. En een stukje van Zijn liefde probeer ik door te geven. Ik zie dagelijks dat dit een positief verschil kan maken.’

Bianca Boender is pleegmoeder en jongerenwerker, trainer en methodiekontwikkelaar bij You!nG: https://www.you-ng.nl 

Download het verhaal als pdf

30 verhalen over wat helpt

Je las nummer 29 van de 30 verhalen in het kader van ‘een jaar lang, de Week tegen Kindermishandeling’.