ANKIE

‘Ik kwam terecht in een familie die ik thuis niet had’

‘Met mijn moeder had ik helemaal niets. Ze was afstandelijk en onaardig. Ze negeerde me, nooit deed ik iets goed. Er was geen aandacht of liefde en nooit kreeg ik een zoen. Ze was als een vreemde voor me. Inmiddels weet ik dat zij niet mijn echte moeder is. Dat was haar jongste zus, mijn ‘tante’ Lea.

Met Lea had ik van jongs af aan een hechte band. Ik voelde me daar schuldig over tegenover mijn niet-echte moeder, ook al snapte ik het niet helemaal. Wij hadden wel liefde voor elkaar. Ik heb veel van haar geleerd, en kreeg van haar mijn eerste singletje. Ze werkte als operatieverpleegkundige in Zwitserland en logeerde bij ons als ze in Nederland was. Ik vond het iedere keer weer vreselijk als ze wegging. Eigenlijk wilde ik niet meer dat ze kwam, want het afscheid was zo heftig.

Ze had een relatie met mijn vader, die duurde heimelijk voort. Toen ik een jaar of vijf was, betrapte ik ze in bed. ‘Niets tegen mama zeggen’, zeiden ze. Maar ja, wat doet een kind als mama thuiskomt? Lea werd het huis uitgeschopt. Lang heb ik aan mijn niet-echte moeder gevraagd wanneer tante Lea weer kwam, want ik miste haar enorm. Haar vertrek voelde als een amputatie.

Eigenlijk wilde ik niet meer dat ze kwam, want het afscheid was zo heftig.

Toen zij uit beeld was, trok ik volledig naar mijn vader. Ik zat altijd bij hem op schoot. Hij stopte me in bed, ging met me mee naar de dokter, nam me mee naar zijn werk. Als kind voelde ik dat het niet goed zat tussen mijn vader en mijn niet-echte moeder. Toen ik acht jaar was, vertelde mijn niet-echte moeder dat mijn vader een vriendin had. Vanaf dat moment was hij gedurende tien jaar soms thuis, maar meestal weg. Vaak wist ik niet waar hij was.

Dat kwam hard aan, juist omdat ik dikke maatjes met mijn vader was. Ik voelde me weer afgewezen, mijn wereld stortte in. Het gezin spatte uit elkaar en ik ben maar voor mijn broertje gaan zorgen. In die jaren werd er totaal niet naar me omgekeken. Ik moest het allemaal zelf uitzoeken, voelde me alleen op de wereld. Van lieverlee werd ik een steeds stiller meisje, erg in mezelf gekeerd. Ik vluchtte een droomwereld in, waardoor ik uiteindelijk in een dissociatie belandde. Ik durfde de straat niet meer op en op school ging het slecht. Er was één leerkracht die wel lief en aardig voor me was. Maar hij was een stagiair, dus hij ging ook weer weg.

Ik werd veel te snel volwassen, vooral omdat ik vanaf mijn achtste ook seksueel misbruikt ben. Wanneer mijn vader weg was, stond een kapelaan mijn moeder bij. Hij had bijvoorbeeld een winterjas voor me, die ik bij hem mocht passen. Maar dan moest ik ook met hem ‘spelen’.

Mijn leven had heel anders kunnen lopen als mensen in mijn omgeving hadden opgemerkt hoe ongelukkig ik was. Ik had het vaak willen uitschreeuwen, maar dat deed ik niet. Twee keer heeft de directeur van de middelbare school mij bij zich geroepen. ‘Ankie, wat is er in godsnaam met jou aan de hand?’ Hij bedoelde het goed, maar ik kon alleen mijn schouders ophalen.

We hadden wel heel lieve buren, oom Jan en tante Nel. Toen ik een jaar of tien was, deed ik alle boodschappen voor het hele gezin. Tante Nel riep me soms naar binnen en liet dan merken dat dit gesjouw niet normaal was. Bij hen heb ik zwarte koffie leren drinken. Ik weet niet of ze precies wisten wat er bij ons aan de hand was. Maar ze waren lief en zorgzaam. Soms waren haar ouders of zussen er, maar dan werd ik toch binnengelaten. Ik kwam terecht in een familie die ik thuis niet had.

Op mijn dertiende kreeg ik een vriendje, een hele lieve jongen. Hij was zorgzaam en ging overal met me mee. Ik achterop zijn Puch. Ik maakte het wel iedere week uit. Bang om weer afgewezen te worden, wilde ik hem voor zijn en wees ik hem af vanuit het ideaalbeeld dat ik in mijn hoofd had opgebouwd. Maar hij kwam iedere keer terug. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld in mijn leven.

Als mijn situatie beter was opgemerkt, had ik niet zo’n slecht leven gehad. Ik heb niet geleefd, maar heb moeten overleven. Ik begreep bijna niemand en niemand begreep mij. Ik had veel ruzies, twee lange relaties zijn stukgelopen. Ik heb 35 jaar een psychiater gehad. Een paar maanden geleden ben ik opnieuw verliefd geworden. Meteen liep ik tegen mijn verleden aan, maar met wat hulp ben ik daaroverheen gekomen.

We moeten meer zorg hebben voor elkaars kinderen en ons realiseren wat er met kinderen kan gebeuren.

Ik ben nu eindelijk in staat om op een natuurlijke manier liefde te voelen, geven en ontvangen. Heel bijzonder, maar ook een beetje laat.

Ik weet wat een kind kan overkomen en hoe zijn leven daardoor naar de gallemiezen kan gaan. Ik weet ook hoe we dat kunnen voorkomen en de pijn kunnen verzachten. Er zitten nog steeds zoveel kinderen in de knel. Ik vind het niet eerlijk als ik niet mijn best voor hen zou doen. Als ik nu de andere kant uitkijk, doe ik hetzelfde als wat al die mensen in mijn jeugd hebben gedaan, bewust of onbewust. Ik zou mezelf een lafaard vinden.

We moeten meer zorg hebben voor elkaars kinderen en ons realiseren wat er met kinderen kan gebeuren. Maar iedereen heeft het druk. We leven op ons eigen eilandje en denken dat we toch niets kunnen doen. Misschien niet als jij in je eentje op de buurkinderen gaat letten. Maar wel als we dat met z’n allen doen. Later worden die kinderen de partners van onze kinderen, of komen we ze tegen op de werkvloer. Deze kinderen zijn van ons allemaal.’

Ankie is ervaringsdeskundige, journaliste en schrijfster.

Download het verhaal als pdf

30 verhalen over wat helpt

Je las nummer 22 van de 30 verhalen in het kader van ‘een jaar lang, de Week tegen Kindermishandeling’.