MYRA over ‘meisje van elf’

‘Ze ging in het weekend gewoon naar huis’

De meidengroep waarmee ik werkte, woonde in een ‘tehuis voor moeilijk opvoedbare meisjes’. De jongste was 8, de oudste 14. Thuis waren ze onhandelbaar. Ik stapte hun leven binnen als stagiair HBO Orthopedagogiek. We schrijven 1970. Ik was net twintig en groen als gras. Maar het was me snel duidelijk dat de meiden allemaal veel hadden meegemaakt. Met name twee van hen staan me nog levendig voor de geest.

Een nieuwe benadering

Het waren de jaren van het ‘roze pamflet’; studenten zetten zich af tegen de autoritaire en ouderwetse werkwijze waarop de Kinderbescherming in die tijd met kinderen omging. Ook ik stelde me kritisch op. Ik las boeken over een nieuwe Amerikaanse benadering. Die ging niet uit van straf en discipline, maar van beloning waar het goed gaat. De onderzoekers stelden: ‘Je moet de kinderen zíen’. Dát wilde ik gaan doen!

In het tehuis waar ik stage liep woonden kinderen van ouders met een verslavings-, psychiatrische of nog andere problemen. Ze hadden, zeg maar, alle reden om zich moeilijk opvoedbaar te gedragen. De groepsleidsters hadden een goede mix van ‘stevig’ en zorgzaamheid.

Maar een kind zegt niet: ‘Dat doe ik omdat…’ Dat weet het zelf ook niet.

Ik leerde veel van ze. Ons doel was de meiden een zo gewoon mogelijke jeugd mee te geven. Van therapie was geen sprake. Ik maakte ‘mijn’ meidengroep ’s morgens wakker, zorgde dat ze ontbeten en op tijd naar school gingen. Ik kocht kleren met ze en nam ze mee naar de hei. Ik maakte ze, kortom, de hele dag mee. Dat was vaak heel gezellig. Maar regelmatig dacht ik ook: wat is er met jou gebeurd dat je dit nu zo moet doen?

Ik zág de schade. Zo hadden we een elfjarige die nog in bed plaste. Een ander meisje bewaarde zilverpapiertjes. Daar vouwde ze dan een scherp hoekje in waarmee ze zichzelf in haar lip sneed. Ik maakte me zorgen en sprak erover met mijn supervisor. De groepsleidsters, de psycholoog en de maatschappelijk werkster bespraken het ook. Maar een kind zegt niet: ‘Dat doe ik omdat…’ Dat weet het zelf ook niet. De mogelijkheid van seksueel misbruik kwam bij niemand op. Het paste niet in het denkkader van die tijd, stond in geen enkel studieboek. Dat meisje van elf? We stuurden haar in het weekend gewoon naar huis.

Die stage maakte diepe indruk op mij, omdat ik pas veel later realiseerde dat een aantal van deze meiden seksueel misbruikt moet zijn geweest. We hebben hen in die zin ‘niet gezien’. Daar had ik gerust buikpijn van.

Nieuwe kennis

Toen dachten we er echt niet aan – en dus vroegen we er niet naar. Nu wéten we hoe vaak seksueel misbruik voorkomt. En welke enorme impact het heeft op een mensenleven. Terugdenkend aan die stage en mijn vermoedens achteraf, met name over dat meisje van elf, besloot ik al in de jaren ‘80: seksueel misbruik niet zien, dát wil ik voorkomen!

Sinds dit besef praat ik erover. Jonge kinderen zijn loyaal aan hun ouders en verzorgers. Pubers zeggen het soms wel, zij kunnen in alternatieven denken en weten dat bepaalde dingen ‘niet normaal’ zijn. Ik geloof ze onvoorwaardelijk. Soms – niet altijd! – zijn er signalen.

Seksueel misbruik niet zien, dát wil ik voorkomen!

Bijvoorbeeld seksueel wervend gedrag, ook bij de leraar en de pleegouder… Omdat dat in de wereld van het misbruikte kind dé manier is om liefde te krijgen.

Vraag het maar eens

Later in mijn carrière vroeg ik moeders die ik bij intakes sprak altijd: ‘Heb je zelf akelige seksuele ervaringen gehad in je jeugd?’ Ook heb ik anderen gestimuleerd hetzelfde te doen. Tachtig procent van de moeders antwoordde bevestigend. Die vraag laten liggen mag dan ook geen optie zijn. Dat is mijn ervaring.

Myra ter Meulen was onder meer directeur van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling in Amsterdam, leidde samen met Jo Hermanns de eerste Regio’s Raak en richtte Handelingsprotocol.nl op.

Download het verhaal als pdf


30 verhalen over wat helpt

Je las nummer 10 van de 30 verhalen in het kader van ‘een jaar lang, de Week tegen Kindermishandeling’.